Over Succes


(Daily Nonsense

In 2002 schreef ik het volgende in het vriendenboekje van mijn klasgenootje Anne: “Later word ik een superster”. Een woord dat mijn moeder voor me had opgezocht. Ik was toen een jaar of vijf. Gisteren tijdens het avondeten vroeg mijn vriend me wat ik eigenlijk wil bereiken. Een moment stilte: “Ik ben een icon, de wereld weet het alleen nog niet”. Vijftien jaar later en ondanks de aangepaste formulering ben ik nog steeds overtuigd van mijn eindbestemming. De laatste jaren ben ik er echter achter gekomen dat de rit naar de sterren lijkt op de trein richting Utrecht om 18:00 uur op een maandag. Beter gezegd, plekken zijn schaars en voor niets gaat de zon op. Je buurvrouw houdt je plekje niet even bezet. Je kunt je hoofd nog niet draaien of je bent vervangen door de eerste beste gewiekste mottenbal. 

Het was drie jaar geleden dat ik ontdekte dat mijn droom eerder een gemeenschappelijk goed was dan míjn droom. Op mijn zeventiende verhuisde ik voor mijn studie naar Amsterdam. Ik ging bij een hospita wonen op de rand van Bos en Lommer. Een geweldig huis, de vrouw waar ik bij was ingetrokken is meerdere malen mijn reddende engel geweest en mijn onderbuurman zeek nooit over de honderd pakketjes die hij per week voor mij aannam. Ik had het voor mijn eerste optrekje in de grote stad nog best aardig gedaan. Althans dit was mijn eerste gedachte erbij. Tot ik de binnenstad ontdekte. Dagelijks fietste ik via de westelijke grachten terug naar huis. De binnenstad van Amsterdam was in mijn ogen magisch. In de avonden keek je naar binnen en zag je de meest uiteenlopende designstukken, kunstwerken en interieurstijlen voorbijkomen. Nog voor je een voorstelling kon maken van de bewoner opent de portiek. Celine Belt Bags, Range Rovers, Oger kostuums; puur goud stroomde er door de deuren van de grachtenpanden de straten op. Mensen met verschillende culturen, nationaliteiten, ideeën, idealen, maar allen met dezelfde droom. Míjn droom.

Hoe meer tijd ik doorbracht met de Binnenstad hoe meer van haar inwoners ik leerde kennen. Hoe vaker ik hetzelfde te horen kreeg: ik ben onderweg naar succes. Mensen om me heen schreeuwen dat ze rijk willen worden. Hoe ze hun ziel aan de duivel zouden verkopen. Dat geld voor hun vrijheid gaat betalen. Dat vrijheid gelijk staat aan geluk. De mensen die ik ontmoet zijn maar met één ding bezig: doelen bereiken, zo snel mogelijk en zich door niets of niemand tegen laten houden. Ze zijn ondergedompeld in zelfverzekerdheid en voeren het liefste gesprekken over zichzelf. Kort samengevat: zelfingenomen en arrogant. Althans als alles zou zijn wat het lijkt. In hoeverre is het persoonlijkheid en in hoeverre is het een overlevingsmechanisme? Zoals ik al zei, plekken zijn schaars. Om aan boord te blijven moet je interessant genoeg zijn en vooral niet te veel waarden hechten aan meningen van anderen. Wanneer je het er niet voor over hebt zal je er ook niet komen. Met alleen hard werken ben je er nog niet. Het is een ijskoude materialistische en idealistische bubbel die je opslokt of bij voorbaat al afschrikt.

Vooralsnog bevind ik me in die bubbel. Ik woon erin. Eerlijk is eerlijk, ik ben gemaakt voor die bubbel. Je kunt me onwetend, jong, oppervlakkig of simpelweg stom vinden. Al vanaf mijn vijfde geloof ik in iets. Wil je speciaal zijn? Dan moet je je ook speciaal gedragen. Speciaal alert zijn. Speciaal bewust zijn. Speciaal hard werken. Ik ben erachter gekomen dat het in plaats van een reis een wedstrijd is. Dat er een punt komt dat ik over lijken moet gaan. Er vervolgens een punt komt waar ik me afvraag of dit het waard is. Maar dat ik uiteindelijk in de ochtend zal opstaan als superster. Of ik dan gelukkig ben? Dat zien we dan wel weer.